multi
Afspraak osteopathie

Maak hier uw afspraak voor osteopathie.
Indien u een nieuwe patiënt bent, dient u zich eerst te registreren.

deSPRONG
Groepspraktijk

t. 014 70 73 90

Korte Vianenstraat 4 bus 69
2300 Turnhout

info@deSPRONG.be

Logopedie

Contact

Tine Vaes
tine@desprong.be

Logopedist en coördinator

Hanne Kreynen
hanne@desprong.be

Logopedist

Elke Van Hoeck
elke@desprong.be

Logopedist

Stefanie Meeuwssen
stefanie@desprong.be

Logopedist en stemtherapeut

Astrid Vanbroekhoven
astrid@desprong.be

Logopedist

Ines Hillen
ines@desprong.be

Logopedist en stottertherapeut

TELEFONISCH CONTACT VIA 014/70.73.90

Wat is Logopedie?

Goede communicatieve vaardigheden en een normale taalontwikkeling zijn belangrijk voor de overdracht van informatie, kennis en gevoelens. Dankzij communicatie en taal is het mogelijk om met anderen samen te leven. Bovendien is taal een belangrijke voorwaarde om goed te leren lezen, schrijven en rekenen.

Communicatie- en taalstoornissen hebben bijgevolg een negatieve invloed op ons sociaal en emotioneel leven.

Logopedie richt zich op de hulpverlening bij communicatiestoornissen en vervult daarom een duidelijke maatschappelijke rol. De logopedist onderzoekt en behandelt stoornissen en beperkingen op het gebied van communicatie, met name spraak, taal, stem en gehoor bij zowel kinderen als volwassenen.

De logopedische diagnose gebeurt aan de hand van uitgebreide onderzoeken van spraak en taal, lezen, schrijven, rekenen, stotteren en stemproblematiek. Op deze manier wordt getracht het probleem zo goed mogelijk te omschrijven in functie van de toekomstige behandeling.

 

vertraagde taalontwikkeling

Er is sprake van een vertraagde taalontwikkeling wanneer een kind op taalgebied beduidend achterblijft of negatief afwijkt in vergelijking met leeftijdsgenootjes.

Bij een vertraagde taalontwikkeling kunnen zich problemen voordoen in het taalbegrip, de taalvorm, de taalinhoud en/of het taalgebruik.

Bij problemen in het taalbegrip vindt het kind het moeilijk om de taal te begrijpen.

Bij problemen in de taalvorm blijven zinnen kort en ongestructureerd, er is sprake van grammaticaal onjuiste, ofwel ‘kromme’ zinnen en er is moeite met woordvorming.

Bij problemen in de taalinhoud kan er sprake zijn van een kleine woordenschat en is het begrijpen en vertellen van verhalen moeilijk. Er wordt vaak over dezelfde vertrouwde onderwerpen gepraat, het is lastig om buiten het hier -en- nu te vertellen en het is moeilijk om de voorkennis van de gesprekspartner in te schatten. Bij het spreken zijn vaak stopwoorden, denkpauzes of herhalingen in de zinnen hoorbaar. Tevens kan er sprake zijn van woordvindingsproblemen.

Bij problemen in het taalgebruik zijn er problemen met het gebruiken van taal in de communicatie en zijn er moeilijkheden in de communicatievoorwaarden; bijvoorbeeld beurtgedrag, luisteren en oogcontact in gesprekssituaties.


Het is van groot belang dat een vertraagde taalontwikkeling zo vroeg mogelijk wordt onderkend. Een kind heeft van 0 tot 6 jaar een gevoelige periode voor het leren van de taal. De manier waarop het kind taal leert is van grote invloed op de verdere taal- /denkontwikkeling. 
Door een vertraagde taalontwikkeling kunnen leerproblemen en sociaal-emotionele problemen ontstaan. Wanneer het kind moeite heeft met begrijpen of zichzelf niet duidelijk kan maken, kan hij/zij een bepaald gedrag gaan vertonen. Zo kan het kind bijvoorbeeld angstig, boos of agressief worden. Ook kan een vertraagde taalontwikkeling negatieve gevolgen hebben voor het leren lezen en het begrijpend lezen.

vertraagde spraakontwikkeling

De spraakontwikkeling noem je vertraagd wanneer een jong kind in zijn spraak duidelijk achterblijft bij leeftijdgenootjes. Het kind spreekt (nog) niet of opvallend minder. Hij spreekt in enkele woorden of korte zinnen en zijn omgeving vindt het lastig om het kind te verstaan en te begrijpen. Soms begrijpt het kind niet goed wat er gezegd wordt.

Een vertraagde spraakontwikkeling kan samenhangen met andere stoornissen zoals slechthorendheid of een algehele achterstand. Maar het komt ook voor dat het kind slecht spreekt zonder dat er een duidelijke oorzaak voor gevonden wordt.

Een vertraging in de spraakontwikkeling geeft problemen: het kind wordt door de omgeving niet begrepen en het kan zich niet goed uiten. Dit kan tot gedragsproblemen leiden: het kind wordt opstandig en driftig als het niet begrepen wordt of het gaat zich juist steeds meer terugtrekken. Ook het leren op school kan moeizamer verlopen.

 

 

Taal- en spraakstoornissen bij volwassenen

Door niet-aangeboren hersenletsel kunnen spraak- en taalstoornissen zoals afasie, spraakapraxie en dysartrie ontstaan. Niet- aangeboren hersenletsel ontstaat door een herseninfarct, hersenbloeding of een progressieve hersenaandoening.

​Afasie is een taalstoornis die tot uiting kan komen bij praten, lezen en schrijven en bij het begrijpen van gesproken taal. De taalstoornis kan zich op veel verschillende manieren uiten en de symptomen kunnen sterk variëren.

Dysartrie is een spraakstoornis waarbij de articulatiespieren niet meer goed functioneren. Dit kan het gevolg zijn van een verlamming, spasticiteit of doordat er sprake is van een coördinatieprobleem. Het kan ook betrekking hebben op de adem- en stemspieren, waardoor er een verminderde verstaanbaarheid ontstaat. Soms kan iemand in het geheel niet meer spreken, dan is er sprake van anartrie.

Spraakapraxie is een stoornis van de spraak waarbij het doelbewuste spreken problemen geeft. Per persoon kan de ernst en het beeld van de spraakapraxie sterk verschillen. Mensen met spraakapraxie hebben vaak  problemen met  het beginnen met spreken, maar zijn daarnaast vaak ook minder verstaanbaar of hebben een afwijkende melodie (scanderend spreken). De ernst kan variëren van mutisme (onvermogen tot spreken) tot lichte haperingen bij vermoeidheid.

Leerstoornissen

Dyslexie is een stoornis die gekenmerkt wordt door een hardnekkig probleem met het aanleren van het accuraat en/of vlot toepassen van het lezen en/of spellen op woordniveau.

Dyscalculie is een stoornis die gekenmerkt wordt door hardnekkige problemen met het leren en het vlot en accuraat oproepen en toepassen van reken-wiskundekennis.

Voor een kind met een leerprobleem is het zeer belangrijk dat zijn probleem op tijd (h)erkend wordt, dit om bijkomende problemen zoals demotivatie, faalangst en gedragsproblemen te voorkomen.

Om u als ouder, leerkracht of hulpverlener vaardiger te maken in het herkennen van dyslexie/dyscalculie vermelden we kort enkele typische kenmerken op kleuter- en basisschoolniveau:

Herkennen van dyslexie

 
In de kleuterklas:

  • links-rechtsoriëntatie (spiegelschrift van letters en cijfers, verkeerde richting schrijven, …)
  • onthouden van namen, versjes en gedichtjes is moeilijk
  • letterspelletjes: moeite met het herkennen van dezelfde letter op een blad, maken van rijmwoorden, maken van een woord dat begint met dezelfde letter
  • talig zwakke kinderen: woordvindingsmoeilijkheden, weinig fantasiespel
  • kinderen die ruimtelijk zwakker zijn: zelden of nooit puzzelen, weinig met constructiemateriaal werken
  • opletten wanneer broertjes of zusjes reeds de diagnose van dyslexie hebben gekregen


In de basisschool:  

  • ze maken geen andere fouten, maar wel meer fouten
  • hardnekkige fouten
  • vooral zwak in lezen en schrijven
  • geen andere oorzaken die zwakke prestaties kunnen verklaren
  • vastlopen bij vreemde talen
  • moeite met automatiseren van nieuwe leerstof


Herkennen van dyscalculie

 
In de kleuterklas:

  • moeilijkheden met begrippen: voor, achter, links, rechts, naast, boven en onder
  • naam, cijfers in spiegelbeeld
  • de tijdsbegrippen morgen, gisteren en de dagen van de week zijn niet eenvoudig
  • kunnen niet tot 20 tellen: verwisselen bepaalde getallen of ze onthouden er een aantal niet
  • kiezen weinig voor constructieve spelen
  • verbaal wel sterk


In de basisschool:

  • spiegelen van getallen
  • oefeningen van rechts naar links maken
  • geen getalinzicht
  • automatisatie van de tafels en de deelsommen
  • richtingsproblemen bij het schrijven van grote getallen, bij het lezen van de klok
  • kunnen moeilijk tussenbewerkingen onthouden

Afwijkende mondgewoonten

De vormgeving van de mond en de stand van de tanden en kiezen worden voor een groot deel bepaald door de functie van de spieren in en om de mond. Afwijkende mondgewoonten kunnen het evenwicht tussen die spieren onderling verstoren. Denk aan foutieve slikgewoonten, mondademen, duimen, vingerzuigen, lispelen of slissen. Oro-myofunctionele therapie (OMFT) is een oefentherapie die gericht is op het herstellen van een verstoord evenwicht in het functioneren van de spieren in en om de mond.

Habitueel mondademen is de gewoonte om in rust de lippen niet te sluiten, waarbij er niet door de neus wordt geademd. De meeste mensen ademen door hun neus, tenzij de neusdoorgang onvoldoende is door bijvoorbeeld een vernauwing door verkoudheid of allergieën. Er wordt dan tijdelijk meer door de mond geademd. Als dit mondademen blijft bestaan terwijl de neus weer doorgankelijk is, wordt de neus nauwelijks meer gebruikt en kunnen de mondspieren verslappen.

Mondademen heeft verschillende gevolgen. De mond droogt uit. Er is daardoor minder speeksel in de mond aanwezig waardoor er veel minder geslikt hoeft te worden. Dit heeft tot gevolg dat de buis van Eustachius, die de neusholte met het oor verbindt, te weinig wordt geopend. De kans op oorontstekingen en andere gezondheidsproblemen neemt hierdoor toe.

Afwijkend slikken kan onder andere ontstaan door mondademen, maar komt ook voor als er gewoon door de neus geademd wordt. Bij afwijkend slikken ligt de tong vaak laag onder in de mond. De tong wordt dan tussen de tanden geperst. Doordat de tong telkens tegen de tanden duwt, kunnen die scheef gaan staan.Ook tijdens het spreken kan de tong tussen de tanden komen. Slissen is het gevolg; het spreken wordt er vaak onduidelijk van.

Een andere afwijkende mondgewoonte is het duim- of vingerzuigen. Het zuigen op een duim, vinger of speen is normaal bij een baby en peuter, omdat zij nog een grote zuigbehoefte hebben. Het geeft veiligheid. Daarna wordt het vaak een gewoonte en kunnen de tanden scheef groeien. Ook kan de vorm van de mond (het gehemelte) veranderen. Tevens hebben kinderen een grotere kans op een slappe mondmotoriek, waardoor afwijkend slikken kan optreden. Spenen of duim- of vingerzuigen moeten daarom zo snel mogelijk worden afgeleerd.

 

 

Stemstoornissen

Een stemstoornis is een aandoening van de stem of het stemapparaat, met als gevolg afwijkingen in de klank, de omvang en het volume van de stem. Bij patiënten met een stemstoornis is het stemgeluid hees, schor, te hoog, te laag, te zacht of te luid of de stem valt weg of slaat over. Veel of lang praten lukt meestal niet en zingen helemaal niet. Er kan sprake zijn van keelpijn, keelschrapen, hoesten en een vermoeid gevoel in de keel. Ook kunnen er klachten zijn met betrekking tot de ademing. Het is normaal dat iemand wel eens hees is gedurende enkele dagen, maar duurt de heesheid langer dan twee à drie weken, dan is ingrijpen gewenst. Wanneer de huisarts een functionele (niet organische) oorzaak vermoedt, kan hij de patiënt verwijzen naar een logopedist voor onderzoek en behandeling.

Stemstoornissen zijn als volgt in te delen:

  • Organische stemstoornissen: er is iets niet in orde met het strottenhoofd.
    • Primair organische stemstoornissen door uiteenlopende inwendige en uitwendige oorzaken.
      Bijvoorbeeld: endocriene veranderingen, larynxtumor en stembandverlamming.
    • Secundair organische stemstoornissen door weefselstructuurveranderingen ten gevolge van verkeerd stemgebruik, overbelasting of stemmisbruik. Bijvoorbeeld: stembandknobbeltjes, chronische hyperplastische laryngitis en stembandoedeem.
  • Functionele stemstoornissen: het stemorgaan is in orde, maar wordt verkeerd gebruikt, misbruikt of overbelast. Als het gebruik te lang en/of te veel voorkomt, kan het stemorgaan beschadigen en kan er een organische verandering plaatsvinden.

Vloeiendheidsstoornissen

Stotteren is een spraakstoornis waarbij het vloeiende verloop van de spraakbeweging gestoord is. Klanken of lettergrepen worden herhaald of verlengd. Soms worden ze er met veel spanning uit geperst. Daarnaast kunnen bij het stotteren begeleidende symptomen voorkomen. Voorbeelden zijn meebewegingen in het gezicht en van lichaamsdelen, verstoring van de adem, transpireren en spanning. Naast deze zichtbare en hoorbare symptomen zijn er ook verborgen symptomen. Vermijden van situaties, bepaalde woorden of klanken omzeilen, gebrek aan zelfvertrouwen en angst om te spreken. Stotteren kan de communicatie ernstig verstoren.

Over de oorzaak van stotteren zijn in de loop der tijd verschillende theorieën beschreven. Vroeger dacht men dat stotteren vooral aangeleerd gedrag was. Tegenwoordig wordt stotteren gezien als een aanleg tot ontregeling van de spraakmotorische processen. Dit zijn ademhaling, stemgeving en articulatie. Emoties en gedachten rond het spreken, alsook omgevingsfactoren zijn hierop van invloed.

Stotteren begint meestal bij kinderen tussen de twee en zeven jaar. Bij de meeste kinderen gaat stotteren vanzelf over, sommigen hebben een behandeling door een logopedist of stottertherapeut nodig. Het is dan belangrijk om snel goed onderzoek te doen, zodat ouders goede informatie krijgen of therapie nu wel/niet zinvol is. De betreffende logopedist/stottertherapeut zal dan vanzelf aangeven of behandeling meteen zinvol is of niet en op welke gronden.

Bij uitzondering kan iemand op latere leeftijd gaat stotteren. De aanleiding hiervoor kan vaak gevonden worden in een plotseling optredend emotioneel trauma, zoals het overlijden van een geliefde of een ongeluk. Er zal geen gewoontevorming optreden bij een goed (begeleid) verwerkingsproces. Soms begint stotteren in de puberteit. Ook dan is het zaak om snel een logopedist/stottertherapeut te raadplegen om de oorzaken te analyseren en eventueel behandeling te starten.


Broddelen is een stoornis in het spreken. Je herkent het aan de niet-vloeiende of aritmische, moeilijk verstaanbare spraak. Opvallend zijn een slappe uitspraak en een hoog spreektempo, het ineenschuiven van woorden, bijvoorbeeld /tevisie/ in plaats van /televisie/. Ook stopwoordjes, snelle woordherhalingen en klankherhalingen zijn signalen van broddelen. Daarnaast komen moeilijkheden met het formuleren van gedachten voor. Dit geldt ook voor schriftelijke formuleringen.

Broddelen kan samen gaan met hyperactiviteit en een slechte concentratie, dit hoeft echter niet. De luisteraar zal de persoon die broddelt vaak slecht verstaan en reageren met: "Wat zeg je?". De spreker merkt wel dat er iets mis is met zijn spreken, maar hij weet niet precies wat. Broddelen is een stoornis in de communicatie.

Doordat er herhalingen van woorden en klanken zijn lijkt het broddelen soms op stotteren. Een verschil met stotteren is dat de broddelaar zijn herhalingen en onduidelijkheden in het spreken niet opmerkt, de stotteraar meestal wel.

De oorzaak van broddelen ligt aan een onvoldoende rijping van het centraal zenuwstelsel. De spraak- en taalontwikkeling verloopt daardoor niet evenwichtig. De volle omvang van het probleem wordt pas duidelijk rond het zevende jaar, als de periode van de spraak- en taalontwikkeling voltooid is.

Op latere leeftijd kan broddelen iemands carrière nadelig beïnvloeden, wanneer er hogere eisen aan de spreekvaardigheid gesteld worden. Dit geldt dan vooral voor mensen die broddelen en een spreekberoep hebben, zoals verkoper.

Beelddenken

Ongeveer 30% van de mensen denkt visueel, waarvan ongeveer 7% een visuele voorkeur heeft. Deze visueel sterke personen denken in gebeurtenissen, plaatjes, beelden en filmpjes. Dit in tegenstelling tot auditief sterke woorddenkers welke hoofdzakelijk gebruik maken van de linker hersenhelft en die voornamelijk een lineaire manier van denken hebben ‘woorddenkers’.
Beelddenkers denken razend snel (ongeveer 12x sneller dan woorddenkers) en vinden oplossingen zonder er een verklaring voor te hebben.
Een woorddenker neemt gemiddeld zo’n 2,5 woord per seconde waar terwijl een beelddenker zo’n 32 beelden per seconde verwerkt.
Beelddenkers zijn talentvolle creatieve, slimme en gevoelige kinderen, die voornamelijk gebruik maken van hun rechter hersenhelft. Toch kan het ook lastig zijn in een wereld welke voornamelijk auditief gericht is.

Kenmerken

Beelddenkers zijn te herkennen aan de volgende eigenschappen;

- Leert via beelden
– Denkt vooral in plaatjes (en filmpjes) in plaats van in woorden
– Leert vanuit het grote geheel en kan daardoor details over het hoofd zien (topdown)
– Bij het geven van instructies is vaak herhaling nodig
– Is gemakkelijk afgeleid
– Lijkt in de klas vaak te dromen
– Zal onderpresteren als hij niet op visuele manier kan werken/leren
– Heeft groot risico op faalangst
– Wanneer eenmaal iets in het hoofd zit vergeet hij dit nooit meer
– Stampwerk en/of herhaling zorgt er voor dat hij al snel afhaakt
– Resultaten zijn vaak wisselend
– Kan datgeen wat hij bedenkt moeilijk(er) onder woorden brengen
– Bezit meer kennis dan tot uiting lijkt te komen
– Bekijkt zaken vanuit verschillende perspectieven door het te visualiseren
– Is minder sterk in het spellen/lezen van woorden (wanneer dit auditief is aangeleerd)
– Heeft moeite met het onthouden van het volledige alfabet (wanneer dit auditief is aangeleerd
– Heeft moeite met het onthouden van de maaltafels (wanneer dit auditief is aangeleerd)
– Leert makkelijker door ervaring en doen
– Zal vaak eerst doen en dan denken
– Weet dingen zonder in staat te zijn uit te leggen waarom of hoe
– Lost problemen op een voor anderen soms ongebruikelijke wijze op
– Herinnert zich wat hij gezien heeft en vergeet gemakkelijk wat hij hoort
– Heeft een grote fantasie(wereld)
– Speelt graag met constructiespeelgoed (Lego e.d.)
– Is organisatorisch niet zo sterk/ organiseert op geheel eigen wijze
– Heeft moeite met tijdsbesef
– Herinnert zich plaatsen die hij eenmaal bezocht heeft
– Heeft een vaak onleesbaar handschrift
– Is van nature een gevoelig persoon
– Is muzikaal, artistiek, creatief en/of mechanisch aangelegd

specialisaties

  • Alle logopedistes die bij deSPRONG werken specialiseren zich in het onderzoeken en behandelen van leerstoornissen en spraak- en taalstoornissen.
  • Hanne Kreynen en Astrid Vanbroekhoven specialiseren zich in het werken met kinderen met ASS (autismespectrumstoornis).
  • Stefanie Meeuwssen specialiseert zich in het onderzoeken en behandelen van stemproblemen.
  • Elke van Hoeck behaalde een postgraduaat leerstoornissen. Bij haar kan u ook terecht wanneer er problemen zijn met Frans of  Engels.
  • Ines Hillen is onze stotter- en broddeltherapeut.
  • Tine Vaes specialiseert zich in de aanpak van leermoeilijkheden bij beelddenkers.
  • Tine, Astrid en Elke volgden een opleiding oromyofunctionele therapie (OMFT)

logopedie op school

Mits goede afspraken met de school en de ouders geven wij ook therapie op school. Wij komen naar de school toe en zoeken met de leerkracht het meest geschikte moment uit waarop uw kind logopedische begeleiding kan volgen.

Enkel wanneer een kind nog niet schoolplichtig is kan dit doorgaan tijdens de lesuren.

Schoolplichtige kinderen (vanaf 6 jaar) kunnen we enkel begeleiden tijdens de pauze-uren.

Er zijn scholen die niet toelaten dat logopedisten op school therapie komen geven. U vraagt dit best even na bij de directie.

 

Tarieven

Wij werken volgens het officieel honorarium.

Testing met verslag: € 31,13 per half uur 
Behandeling: € 22,88 per half uur

Voor de logopedische therapie is vaak terugbetaling mogelijk via het RIZIV (75%) of via de aanvullende verzekering van uw ziekenfonds (ongeveer 50%, afhankelijk van uw ziekenfonds).

U heeft een voorschrift nodig voor de logopedische testing van een kinderarts, neus-keel-oorarts of kinderpsychiater. Dit neemt u mee bij uw eerste afspraak.

Om uw kind zo goed mogelijk te begeleiden volgen we volgende werkwijze:

 

  • Iemand die in contact staat met uw kind (ouder, school, arts, andere begeleider,...) signaleert een verstoring in de ontwikkeling van uw kind.
  • De ouders nemen telefonisch of via mail contact op met de discipline waar de hulpvraag in eerste instantie het best door beantwoord kan worden. Er kan bij twijfel of ter voorbereiding een vragenlijst doorgestuurd worden die door de ouders en/of andere begeleiders ingevuld moet worden.
  • Er zal daarna een eerste gesprek (intake) plaatsvinden. Gelieve alle verslagen en eventueel de vragenlijst, mee te brengen naar het intakegesprek. We zullen de vragen en problemen noteren die hier gemeld worden.
  • Indien nodig zal er een onderzoek of testing volgen om een duidelijk beeld te vormen van de mogelijkheden en moeilijkheden van uw kind.
  • Als de therapeut denkt dat de hulpvraag ook de betrekking van een andere discipline vraagt, dan zal zij na overleg met de ouders het probleem voorleggen bij de andere therapeut. Het kan zijn dat dit blijft bij een advies, maar er kan ook een aansluitende therapie opgestart worden.
  • Vanuit deze verschillende gegevens wordt er een verslag opgemaakt en een behandelingsplan opgesteld in samenspraak met de verschillende therapeuten die in contact komen met uw kind.
  • Daarna worden de resultaten met de ouders besproken en worden er eventueel verdere afspraken gemaakt voor het opstarten van de therapie. De afspraken bij de verschillende disciplines kunnen eventueel aaneensluitend gemaakt worden om praktische redenen.
  • Het verslag kan verzonden worden naar vb. de school, arts, andere begeleiders,...
  • Indien nodig wordt de therapie opgestart. De therapie is volledig op maat van uw kind. Het is mogelijk om verschillende behandelmethodes te combineren, aangepast aan de noden van uw kind. Tijdens de therapie worden de ouders, school en andere begeleiders op de hoogte gehouden van de aandachtspunten van de therapie. Er worden eventueel tips en adviezen gegeven aan de ouders en/of leerkracht.
  • Op regelmatige tijdstippen gebeurt er een herevaluatie om de vorderingen van uw kind te bekijken en de therapiedoelstellingen bij te stellen.
  •